
Beleid
Vandaag, 12:31
Het Outbreak Management Team (OMT) was in de eerste fase van de coronapandemie grotendeels aangewezen op informatie uit het buitenland, terwijl er nog veel onzeker was over het virus. Dat zei voormalig OMT-voorzitter Jaap van Dissel vrijdag tijdens zijn verhoor door de parlementaire enquêtecommissie corona. Ook verdedigde hij de werkwijze van het OMT en stelde hij dat maatschappelijke afwegingen bij de politiek hoorden.
Van Dissel vertelde dat er in de beginfase van de pandemie nog veel vragen waren. "De informatie was beperkt, veel was onzeker", zei hij. Het ging volgens hem om fundamentele zaken zoals de overdracht van het virus, het gedrag ervan en welke maatregelen het meest effectief zouden zijn om verspreiding tegen te gaan.
Vorige week vrijdag begon de parlementaire enquêtecommissie corona met het verhoor van OMT-lid en viroloog Marjon Koopmans. Bij Nieuws van de Dag werd de eerste verhoordag besproken. In de bovenstaande video praten onder anderen viroloog Ab Osterhaus en politiek commentator Thijs Broer hierover.
Bij de samenstelling van het OMT koos Van Dissel naar eigen zeggen bewust voor een multidisciplinaire groep met deskundigen uit verschillende vakgebieden en internationale netwerken. Het doel was om kennis te bundelen en gezamenlijk inschattingen te maken over de risico's van het virus.
Volgens Van Dissel hield het OMT zich uitsluitend bezig met medische adviezen die gericht waren op het beperken van de pandemie. Besluiten over de maatschappelijke gevolgen van maatregelen, zoals het sluiten van terrassen of scholen, moesten elders worden afgewogen. Die taak lag volgens hem bij het Bestuurlijk Afstemmingsoverleg (BAO), waarin onder meer ministeries, gemeenten en de GGD vertegenwoordigd waren. Uiteindelijk nam de politiek de beslissingen. "Ik heb ook buitengewoon streng bewaakt dat het buiten het OMT bleef", aldus Van Dissel.
Tijdens de verhoren kwam ook de samenstelling van het OMT aan bod. Kritiek dat virologen mogelijk te veel invloed hadden, wijst Van Dissel van de hand. Volgens hem woog de inbreng van andere deskundigen, zoals kinderartsen, even zwaar mee. Bij discussies over bijvoorbeeld de heropening van (basis)scholen waren er verschillende opvattingen binnen het team, maar werd steeds gezocht naar een gezamenlijk advies.
Tijdens het verhoor ging Van Dissel ook in op kritiek op het Nederlandse testbeleid in de eerste fase van de pandemie. Volgens hem werden de regels over wie getest moest worden in de praktijk soms eerder aangepast dan zichtbaar was in de officiële richtlijnen van het RIVM. Hij sprak van "schuivende panelen".
Zo gold officieel lange tijd dat koorts een belangrijke voorwaarde was om getest te worden, maar volgens Van Dissel werd daar in de praktijk al veel eerder van afgeweken. "Begin maart al niet meer. Oudere mensen werden toen al getest. Het koortscriterium voelde toen al niet goed voor ons." Kritiek dat het RIVM te terughoudend communiceerde over de besmettelijkheid van het virus en het belang van testen, vindt hij dan ook "te absoluut".
De parlementaire enquêtecommissie corona houdt in totaal 51 verhoren met 47 getuigen. Eerder verschenen onder anderen viroloog Marion Koopmans, burgemeester van Den Bosch, Jack Mikkers en voormalig Tweede Kamervoorzitter Khadija Arib voor de commissie. Later worden ook oud-premier Mark Rutte, voormalig zorgminister Hugo de Jonge en oud-minister Ferd Grapperhaus verhoord.