Politiek

Veel kinderen die door mazen kinderpardon vallen, blijven in Nederland

De meeste minderjarige vluchtelingen die voor het kinderpardon zijn afgewezen, zijn nog in Nederland. Zo’n 80 van de 1400 kinderen zijn aantoonbaar vertrokken. Dat blijkt uit cijfers die de NOS heeft opgevraagd bij het ministerie van Justitie en Veiligheid.

In alle gevallen gaat het om kinderen die al zeker vijf jaar in Nederland zijn. Van 180 kinderen is het niet duidelijk waar ze nu zijn, 400 kinderen kregen toch een verblijfsvergunning om bijvoorbeeld medische redenen en 740 kinderen hebben vooralsnog geen toestemming om in Nederland te blijven.

Howick en Lili

De 740 kinderen zijn er veel meer dan een eerdere schatting van Defence for Children. Zij dachten dat er dat er 400 kinderen waren van wie de situatie lijkt op die van Howick en Lili. De Armeense kinderen dreigden na tien jaar gedeporteerd te worden, maar na grote maatschappelijke verontwaardiging mochten ze toch blijven.

Lees ook: Ruim 117.500 mensen roepen Tweede Kamer op tot humaan kinderpardon

“Deze groep heeft hier een leven, ze gaan naar school en hebben hier vriendjes, daar moet een oplossing voor gevonden worden. We weten dat ze veel schade oplopen door de onzekerheid. Recent hebben wetenschappers dat ook onderschreven,” vertelt Martine Goeman van de organisatie.

Lees ook: Manifest Unicef Nederland: geen asielbeleid dat kinderen beschadigt

Staatssecretaris Mark Harbers vindt het aantal kinderen dat gedeporteerd wordt “veel te weinig”. Bij de NOS zegt hij dat een gedwongen terugkeer moeilijk is. “Voor mij geldt: als mensen geen vergunning krijgen, moeten ze terug naar hun land van herkomst.”

Drastisch afgenomen

Het aantal aanvragen voor een kinderpardon is de afgelopen jaren drastisch afgenomen. In 2013 waren het er nog 300, maar dat aantal daalde naar 30 in 2017. Van die 30 werden er 2 toegekend, volgens de Volkskrant.

 

Van 2140 kinderen die de afgelopen zes jaar een kinderpardon hebben aangevraagd, kregen ruim 700 kinderen wel een verblijfsvergunning.

ANP/Redactie