Dit is holocaustoverlevende Jules Schelvis die werd genoemd door de koning

Het was de rode draad door de historische toespraak van de koning tijdens de Nationale Dodenherdenking: een anekdote van Jules Schelvis. De Nederlander overleed in 2016. Maar wie was hij?

Schelvis werd geboren op 7 januari 1921 in Amsterdam en maakte de Tweede Wereldoorlog mee als jongvolwassen man. Hij was van Joodse komaf en werd in de oorlog door de Duitse bezetter opgepakt.

Jules Schelvis overleefde Sobibor

Op 6 juni 1943 werd Schelvis vanuit kamp Westerbork op transport gezet naar het vernietigingskamp Sobibor. In het Poolse Sobibor werden in een jaar tijd zeker 170.000 mensen, voornamelijk Joden, vermoord door de nazi’s. Van de slachtoffers kwamen ruim 34.000 uit Nederland. Slechts achttien Nederlanders overleefden kamp Sobibor; Schelvis was één van hen.

Hij moest niet alleen Sobibor doorstaan. Schelvis bracht twee jaar van zijn leven door in zeven verschillende nazikampen.

Tijdens een snelle scheiding van mannen en vrouwen in kamp Sobibor verloor Schelvis zijn vrouw Rachel uit het oog. Hij zag haar nooit meer terug. Ook andere familieleden van Schelvis kwamen om. Alleen zijn moeder en zus bleken na de oorlog nog in leven.

Holocaust-deskundige

Jules Schelvis was lang dé expert als het ging om vernietigingskamp Sobibor, niet in de laatste plaats omdat hij een van de weinigen was die het kon navertellen. De nazi’s hebben geprobeerd de sporen van hun gruweldaden in Sobibor te wissen. Schelvis leverde een belangrijk aandeel in de strijd om het afschuwelijke leed bekendheid te geven.

Lees ook: Familie Jules Schelvis verrast door toespraak koning: ‘Prachtig eerbetoon’

In 1999 richtte Schelvis de Stichting Sobibor op. Ook was hij de initiatiefnemer van het oorlogsmonument De Tekens van Westerbork, dat in 2001 vlakbij het voormalige kamp bij Hooghalen (Drenthe) werd geplaatst.

Na de oorlog schreef Schelvis meerdere boeken. In 1982 debuteerde hij met ‘Binnen de poorten‘. Zijn laatste boek Er reed een trein naar Sobibor verscheen in 2012.

Schelvis maakte van zijn herinneringen zijn levenswerk; hij gaf les aan Nederlandse en Duitse scholieren over het vernietigingskamp. Hij ontving in 2007 een koninklijke onderscheiding.

Tekst gaat door onder de foto

De ontmoeting tussen koning Willem-Alexander en Jules Schelvis.

Lees hieronder de volledige toespraak van koning Willem-Alexander, met de anekdotes van Jules Schelvis:

Het voelt vreemd op een bijna lege Dam. Maar ik weet dat U, dat jij, deze Nationale Herdenking meebeleeft en dat we hier samen staan.

In deze uitzonderlijke maanden hebben wij allemaal een deel van onze vrijheid op moeten geven.

Sinds de oorlog heeft ons land iets dergelijks niet gekend.

Nu maken we zelf een keuze. In het belang van leven en gezondheid. Toen wérd de keuze voor ons gemaakt. Door een bezetter met een ideologie zonder genade die vele miljoenen mensen de dood in joeg.

Hoe voelde de ultieme onvrijheid? Er is één getuigenis die ik nooit zal vergeten.

Het was hier in Amsterdam, in de Westerkerk, bijna zes jaar geleden. Een kleine man met heldere ogen – fier rechtop met zijn 93 jaar – vertelde ons het verhaal van zijn reis naar Sobibor, in juni 1943.

Zijn naam was Jules Schelvis.

Daar stond hij, breekbaar maar ongebroken, in een volle, muisstille kerk. Hij sprak over het vervoer met 62 mensen in één veewagon. Over de ton op de kale vloer. Over de regen die door de kieren spatte. Over de honger, de uitputting, de smerigheid. “Je ging er uitzien als een schooier”, zei hij. En je hoorde in zijn stem hoe erg hij dat had gevonden.

Hij vertelde over de horloges die bij aankomst door soldaten van polsen werden gerukt. Over hoe hij zijn vrouw Rachel in de chaos kwijtraakte. Nooit zag hij haar terug.

“Welk normaal mens had dit kunnen bedenken? Hoe kon de wereld toestaan dat wij, rechtschapen burgers van Nederland, als uitschot werden behandeld?” Zijn vraag bleef hangen tussen de pilaren van de kerk. Ik heb er geen antwoord op. Nog steeds niet.

Wat ik me ook herinner, is zijn verslag van wat er aan de reis voorafging. Na een razzia werd hij samen met zijn vrouw en vele honderden anderen weggevoerd naar station Muiderpoort. Ik hoor nog zijn woorden: “Honderden omstanders hebben zonder vorm van protest toegekeken hoe de overvolle trams, onder strenge bewaking, voorbij reden.”

Dwars door deze stad. Dwars door dit land. Voor de ogen van landgenoten.

Het leek zo geleidelijk te gaan. Elke keer een stapje verder. Niet meer naar het zwembad mogen.

Niet meer mogen meespelen in een orkest. Niet meer mogen fietsen. Niet meer mogen studeren. Op straat worden gezet. Worden opgepakt en weggevoerd.

Sobibor begon in het Vondelpark. Met een bordje: ‘Voor Joden verboden’.

Zeker: er waren veel mensen die zich verzetten. Mannen en vrouwen die in actie kwamen, die tegen de stroom in burgermoed toonden en hun eigen veiligheid op het spel zetten voor anderen.

Ik denk ook aan alle burgers en militairen die vochten voor onze vrijheid. Aan de jonge soldaten die in de meidagen sneuvelden aan de Grebbelinie. De militairen die ons Koninkrijk dienden in Nederlands-Indië en dat met de dood bekochten. De verzetsstrijders die werden gefusilleerd op de Waalsdorpervlakte of onmenselijk werden behandeld in straf- en concentratiekampen. De militairen die niet terugkeerden van vredesmissies of daarbij ernstig gewond raakten.

Werkelijke helden die bereid waren te sterven voor onze vrijheid en onze waarden.

Maar er is ook die andere realiteit.

Medemensen, medeburgers in nood, voelden zich in de steek gelaten, onvoldoende gehoord, onvoldoende gesteund, al was het maar met woorden. Ook vanuit Londen, ook door mijn overgrootmoeder, toch standvastig en fel in haar verzet. Het is iets dat me niet loslaat.

Oorlog werkt generaties lang door. Nu, 75 jaar na onze bevrijding, zit de oorlog nog steeds in ons.

Het minste wat we kunnen doen is: niet wegkijken. Niet goedpraten. Niet uitwissen. Niet apart zetten. Niet ‘normaal’ maken wat niet normaal is.

En: onze vrije, democratische rechtsstaat koesteren en verdedigen. Want alleen die biedt bescherming tegen willekeur en waanzin.

Jules Schelvis doorstond de hel en wist toch als vrij mens weer iets van het leven te maken. Veel meer dan dat. “Ik heb vertrouwen in de mensheid gehouden”, zei hij.

Als hij het kon, kunnen wij het ook. Wij kunnen het, wij doen het samen. In vrijheid.